GLM250 VF激光测距仪数据表.pdf - 第68页

68 | Nederlands 1 609 92A 1YW | (8.7.1 6) Bosch Power Tools De duurme ting wordt na 5 minuten autom atisch uit gescha- keld. De laatste meetwa arde bl ijft in de resultaatregel c weer- gegeven. Minimum- en maximummeting …

100%1 / 317
Nederlands | 67
Bosch Power Tools 1 609 92A 1YW | (8.7.16)
Als de laserstraal permanent is ingeschakeld, begint de me-
ting reeds nadat de meettoets de eerste keer wordt ingedrukt
7. In de functie duurmeting start de meting onmiddellijk bij
het inschakelen van de functie.
De meetwaarde verschijnt meestal binnen 0,5 seconden en
uiterlijk na 4 seconden. De duur van de meting is afhankelijk
van de afstand, de lichtomstandigheden en de weerspiege-
lingseigenschappen van het doeloppervlak. Het einde van de
meting wordt aangegeven door een geluidssignaal. Na beëin-
diging van de meting wordt de laserstraal automatisch uitge-
schakeld.
Als ca. 20 seconden na het richten geen meting plaatsvindt,
wordt de laserstraal automatisch uitgeschakeld om de batte-
rijen te sparen.
Referentievlak kiezen (zie afbeeldingen AE)
Voor de meting kunt u uit vier verschillende referentievlakken
kiezen:
de achterkant van het meetgereedschap of de voorkant
van de zijwaarts uitgeklapte aanslagstift 18 (bijvoorbeeld
bij het leggen tegen buitenhoeken),
van de punt van de naar achteren geklapte aanslagstift 18
(bijvoorbeeld voor metingen uit hoeken),
de voorkant van het meetgereedschap (bijvoorbeeld bij
het meten vanaf de rand van een tafel),
–de schroefdraad 21 (bijvoorbeeld voor metingen met sta-
tief).
Druk voor de keuze van het referentievlak zo vaak op de toets
8 tot in het display het gewenste referentievlak wordt weerge-
geven. Na het inschakelen van het meetgereedschap is altijd
de achterkant van het meetgereedschap als referentievlak
vooraf ingesteld.
Achteraf veranderen van het referentievlak van reeds uitge-
voerde metingen (bijvoorbeeld bij weergave van meetwaar-
den in de meetwaardenlijst) is niet mogelijk.
Permanente laserstraal
U kunt het meetgereedschap indien nodig op permanente la-
serstraal instellen. Druk daarvoor op de toets Permanente la-
serstraal 2. In het display brandt de indicatie „LASER” conti-
nu.
Richt de laserstraal niet op personen of dieren en kijk
zelf niet in de laserstraal, ook niet vanaf een grote af-
stand.
De laserstraal blijft in deze instelling ook tussen de metingen
ingeschakeld. Voor de meting hoeft u de toets Meten 7 slechts
éénmaal kort in te drukken.
Druk voor het uitschakelen van de permanente laserstraal op-
nieuw op de toets 2 of schakel het meetgereedschap uit.
Als de permanente laserstraal tijdens een meting wordt uitge-
schakeld, wordt de meting automatisch beëindigd.
Displayverlichting
Voor het in- en uitschakelen van de displayverlichting drukt u
op de toets 11. Als er binnen 10 seconden na het inschakelen
van de displayverlichting geen toets wordt ingedrukt, wordt
de verlichting uitgeschakeld om de batterijen te ontzien.
Geluidssignaal
Als u het geluidssignaal wilt inschake-
len, drukt u zo vaak op de functiewis-
seltoets 3 tot in het display de indica-
tie voor de geluidsinstelling
verschijnt. Door het indrukken van de
plustoets 6 of de mintoets 12 kiest u
de gewenste instelling.
De gekozen instelling van het geluidssignaal blijft bewaard bij
het uit- en inschakelen van het meetgereedschap.
Maateenheid wisselen
Voor de weergave van de meetwaarden kunt u op elk gewenst
moment van maateenheid wisselen.
U kunt kiezen uit de volgende maateenheden:
Lengtemeting: m, cm, mm,
–Oppervlaktemeting: m
2
,
–Inhoudsmeting: m
3
.
Voor het wisselen van maateenheid
drukt u zo vaak op de functiewissel-
toets 3 tot in het display de indicatie
voor het wisselen van de maateen-
heid verschijnt. Door het indrukken
van de plustoets 6 of de mintoets 12
kiest u de gewenste maateenheid.
Meetfuncties
Eenvoudige lengtemeting
Druk voor lengtemetingen zo vaak op de toets 4 tot in het dis-
play de indicatie voor lengtemeting verschijnt.
Druk voor het richten en voor het me-
ten telkens eenmaal kort op de toets
Meten 7.
De meetwaarde wordt in de resultaat-
regel c weergegeven.
Bij meer lengtemetingen achter el-
kaar worden de resultaten van de
laatste metingen in de meetwaarderegels a weergegeven.
Duurmeting
Bij de duurmeting kan het meetgereedschap relatief ten op-
zichte van het doel worden verplaatst, waarbij de meetwaar-
de ongeveer elke 0,5 seconden wordt geactualiseerd. U kunt
zich zich bijvoorbeeld van een muur verwijderen tot aan de
gewenste afstand. De actuele afstand is steeds afleesbaar.
Voor duurmetingen kiest u eerst de functie lengtemeting en
drukt u vervolgens zo lang op de meettoets 7 tot in het display
de indicatie voor duurmeting verschijnt. De laser wordt in-
geschakeld en de meting begint onmiddellijk.
De actuele meetwaarde wordt in de
resultaatregel c weergegeven.
Door het kort indrukken van de meet-
toets 7 beëindigt u de duurmeting. De
laatste meetwaarde wordt in de resul-
taatregel c weergegeven. Als u lang
op de meettoets 7 drukt, start de
duurmeting opnieuw.
OBJ_BUCH-947-007.book Page 67 Friday, July 8, 2016 10:44 AM
68 | Nederlands
1 609 92A 1YW | (8.7.16) Bosch Power Tools
De duurmeting wordt na 5 minuten automatisch uitgescha-
keld. De laatste meetwaarde blijft in de resultaatregel c weer-
gegeven.
Minimum- en maximummeting (zie afbeeldingen FG)
De minimummeting dient voor de bepaling van de kortste af-
stand vanuit een vast referentiepunt. Bijvoorbeeld ter onder-
steuning van de bepaling van verticale en horizontale lijnen.
De maximummeting dient voor de bepaling van de grootste af-
stand vanuit een vast referentiepunt. Bijvoorbeeld ter onder-
steuning van de bepaling van diagonale lijnen.
Voor de eenvoudige minimum- en maximummeting kiest u
eerst de functie lengtemeting en drukt u vervolgens op de
toets 13. In de resultaatregel c wordt „min” voor de mini-
mummeting weergegeven. Voor maximummetingen druk u
opnieuw op de toets 13 zodat „max” in de resultaatregel
wordt weergegeven. Druk vervolgens op de meettoets 7. De
laser wordt ingeschakeld en de meting begint.
Beweeg de laser zodanig over het gewenste doel heen en
weer (bijv. de hoek van een ruimte bij de bepaling van de dia-
gonale lijn) dat het referentiepunt van de meting (bijv. de punt
van de aanslagstift 18) steeds op dezelfde plaats blijft.
In de resultaatregel c wordt (afhanke-
lijk van de gekozen functie) de mini-
male of maximale meetwaarde weer-
gegeven. Deze wordt telkens
overschreven wanneer de actuele
lengtemeetwaarde kleiner of groter
dan de minimum- of maximumwaarde
tot dusver is. In de meetwaarderegels
a verschijnen de maximale („max”), minimale („min”) en ac-
tuele meetwaarde.
Druk voor het beëindigen van de minimum- of maximumme-
ting kort op de meettoets 7. Als u opnieuw op de meettoets
drukt, start de meting opnieuw.
De minimum- of maximummeting kan ook bij lengtemeting
binnen andere meetfuncties (bijvoorbeeld oppervlakteme-
ting) worden gebruikt. Druk daarvoor bij de bepaling van af-
zonderlijke meetwaarden op de toets 13, eenmaal voor de mi-
nimummeting of tweemaal voor de maximummeting. Duw
vervolgens op de meettoets 7 om de laserstraal in te schake-
len. Beweeg het meetgereedschap zo dat de gewenste mini-
mum- of maximumwaarde wordt gemeten en druk op de
meettoets 7 voor de overname van de minimum- of maximum-
waarde in de lopende berekening.
Bij vertraagde lengtemeting en in de afsteekfunctie zijn geen
minimum- of maximummetingen mogelijk.
De minimum- of maximummeting wordt na 5 minuten auto-
matisch uitgeschakeld.
Oppervlaktemeting
Druk voor oppervlaktemetingen zo vaak op de toets 4 tot in
het display de indicatie voor oppervlaktemeting ver-
schijnt.
Meet vervolgens lengte en breedte na elkaar, net als bij een
lengtemeting. Tussen de beide metingen blijft de laserstraal
ingeschakeld.
Na afsluiting van de tweede meting
wordt de oppervlakte automatisch
berekend en in de resultaatregel c
weergegeven. De afzonderlijke meet-
waarden staan in de meetwaardere-
gels a.
Inhoudsmeting
Druk voor inhoudsmetingen zo vaak op de toets 4 tot in het
display de indicatie voor inhoudsmeting verschijnt.
Meet vervolgens lengte, breedte en hoogte na elkaar, net als
bij een lengtemeting. Tussen de drie metingen blijft de laser-
straal ingeschakeld.
Na afsluiting van de derde meting
wordt de inhoud automatisch bere-
kend en in de resultaatregel c weerge-
geven. De afzonderlijke meetwaar-
den staan in de meetwaarderegels a.
Waarden boven 999999 m
3
kunnen
niet worden weergegeven. In het dis-
play verschijnt „ERROR” en
––––”. Verdeel de te meten inhoud in verschillende metin-
gen waarvan u de waarden apart berekent en vervolgens op-
telt.
Indirecte lengtemeting (zie afbeeldingen HK)
De indirecte lengtemeting dient voor het bepalen van afstan-
den die niet rechtstreeks kunnen worden gemeten, omdat
een hindernis de laserstraal belemmert of omdat er geen doe-
loppervlak als reflector beschikbaar is. Correcte resultaten
worden alleen bereikt als de bij de meting vereiste rechte hoe-
ken nauwkeurig worden aangehouden (stelling van Pythago-
ras).
Let erop dat het referentiepunt van de meting (bijvoorbeeld
achterkant van het meetgereedschap) bij alle afzonderlijke
metingen binnen één complete meting op nauwkeurig op de-
zelfde plaats blijft (uitzondering: trapeziummeting).
Tussen de afzonderlijke metingen blijft de laserstraal inge-
schakeld.
Voor de indirecte lengtemeting staan vier meetfuncties ter be-
schikking waarmee telkens verschillende lijnstukken kunnen
worden gemeten. Voor de keuze van de meetfunctie drukt u
zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot het symbool van de ge-
wenste meetfunctie in het display wordt weergegeven.
a) Enkele Pythagorasmeting (zie afbeelding H)
Druk zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de
indicatie voor de enkele Pythagorasmeting verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de lijnstukken „1” en „2” in
deze volgorde. Let erop dat tussen lijnstuk „1” en het ge-
vraagde lijnstuk „E” een rechte hoek bestaat.
1
2
OBJ_BUCH-947-007.book Page 68 Friday, July 8, 2016 10:44 AM
Nederlands | 69
Bosch Power Tools 1 609 92A 1YW | (8.7.16)
Na afsluiting van de laatste meting
wordt het resultaat voor het gevraag-
de lijnstuk „E” in de resultaatregel c
weergegeven. De afzonderlijke meet-
waarden staan in de meetwaardere-
gels a.
b) Dubbele Pythagorasmeting (zie afbeelding I)
Druk zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de
indicatie voor de dubbele Pythagorasmeting verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de lijnstukken „1”, „2” en
„3” in deze volgorde. Let erop dat tussen lijnstuk „1” en het
gevraagde lijnstuk „E” een rechte hoek bestaat.
Na afsluiting van de laatste meting
wordt het resultaat voor het gevraag-
de lijnstuk „E” in de resultaatregel c
weergegeven. De afzonderlijke meet-
waarden staan in de meetwaardere-
gels a.
c) Gecombineerde Pythagorasmeting (zie afbeelding J)
Druk zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de
indicatie voor de gecombineerde Pythagorasmeting ver-
schijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de lijnstukken „1”, „2” en
„3” in deze volgorde. Let erop dat tussen lijnstuk „1” en het
gevraagde lijnstuk „E” een rechte hoek bestaat.
Na afsluiting van de laatste meting
wordt het resultaat voor het gevraag-
de lijnstuk „E” in de resultaatregel c
weergegeven. De afzonderlijke meet-
waarden staan in de meetwaardere-
gels a.
d) Trapeziummeting (zie afbeelding K)
Druk zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de
indicatie voor de trapeziummeting verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de lijnstukken „1”, „2” en
„3” in deze volgorde. Let erop dat de meting van lijnstuk „3”
exact aan het eindpunt van lijnstuk „1” begint en dat tussen
de lijnstukken „1” en „2” en tussen „1” en „3 een rechte
hoek bestaat.
Na afsluiting van de laatste meting
wordt het resultaat voor het gevraag-
de lijnstuk „E” in de resultaatregel c
weergegeven. De afzonderlijke meet-
waarden staan in de meetwaardere-
gels a.
Vertraagde lengtemeting
De vertraagde lengtemeting helpt bijvoorbeeld bij het meten
op moeilijk bereikbare plaatsen of wanneer bewegingen van
het meetgereedschap tijdens de meting verhinderd moeten
worden.
Druk voor vertraagde lengtemeting zo vaak op de functiewis-
seltoets 3 tot in het display de indicatie voor vertraagde leng-
temeting verschijnt.
In de meetwaarderegel a wordt de tijdspanne vanaf het acti-
veren tot aan de meting weergegeven. De tijdspanne kan door
het indrukken van de plustoets 6 of de mintoets 12 tussen 1
en 60 seconden worden ingesteld.
Druk vervolgens op de meettoets 7
om de laserstraal in te schakelen en
op het doelpunt te richten. Druk op-
nieuw op de meettoets 7 om de me-
ting te activeren. De meting vindt
plaats na de gekozen tijdspanne. De
meetwaarde wordt in de resultaatre-
gel c weergegeven.
Optellen en aftrekken van meetresultaten, minimum- en maxi-
mummeting zijn bij vertraagde lengtemeting niet mogelijk.
Muuroppervlaktemeting (zie afbeelding L)
De muuroppervlaktemeting dient voor het bepalen van de
som van een aantal oppervlakten met een gemeenschappelij-
ke hoogte.
In het afgebeelde voorbeeld moet de totale oppervlakte wor-
den bepaald van een aantal muren met dezelfde hoogte A,
maar van verschillende lengte B.
Druk voor muuroppervlaktemetingen zo vaak op de functie-
wisseltoets 3 tot in het display de indicatie voor muuropper-
vlaktemeting verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de hoogte A van de ruimte.
De meetwaarde („cst”) wordt in de bovenste meetwaardere-
gel a weergegeven. De laser blijft ingeschakeld.
Meet vervolgens de lengte B
1
van de
eerste muur. De oppervlakte wordt
automatisch berekend en in de resul-
taatregel c weergegeven. De lengte-
meetwaarde staat in de middelste
meetwaarderegel a. De laser blijft in-
geschakeld.
Meet vervolgens de lengte B
2
van de
tweede muur. De in de middelste
meetwaarderegel a weergegeven af-
zonderlijke meetwaarde wordt bij de
lengte B
1
opgeteld. Het totaal van de
beide lengten („sum”, weergegeven
in de onderste meetwaarderegel a)
wordt met de opgeslagen hoogte A
vermenigvuldigd. De totale oppervlaktewaarde wordt in de
resultaatregel c weergegeven.
U kunt een willekeurig aantal lengten B
X
meten. Deze worden
opgeteld en met de hoogte A vermenigvuldigd.
Voorwaarde voor een correcte oppervlakteberekening is dat
de eerste gemeten lengte (in het voorbeeld de hoogte van de
ruimte A) voor alle deeloppervlakten identiek is.
1
32
1
3
2
1
3
2
OBJ_BUCH-947-007.book Page 69 Friday, July 8, 2016 10:44 AM