GLM250 VF激光测距仪数据表.pdf - 第70页

70 | Nederlands 1 609 92A 1YW | (8.7.1 6) Bosch Power Tools Voor een n ieuwe muurop pervlakteme ting met ni euwe ruimte- hoogte A drukt u driemaal op de toets 16 . Afsteekfunctie (zie afbeelding M) De afsteekfunctie dien…

100%1 / 317
Nederlands | 69
Bosch Power Tools 1 609 92A 1YW | (8.7.16)
Na afsluiting van de laatste meting
wordt het resultaat voor het gevraag-
de lijnstuk „E” in de resultaatregel c
weergegeven. De afzonderlijke meet-
waarden staan in de meetwaardere-
gels a.
b) Dubbele Pythagorasmeting (zie afbeelding I)
Druk zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de
indicatie voor de dubbele Pythagorasmeting verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de lijnstukken „1”, „2” en
„3” in deze volgorde. Let erop dat tussen lijnstuk „1” en het
gevraagde lijnstuk „E” een rechte hoek bestaat.
Na afsluiting van de laatste meting
wordt het resultaat voor het gevraag-
de lijnstuk „E” in de resultaatregel c
weergegeven. De afzonderlijke meet-
waarden staan in de meetwaardere-
gels a.
c) Gecombineerde Pythagorasmeting (zie afbeelding J)
Druk zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de
indicatie voor de gecombineerde Pythagorasmeting ver-
schijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de lijnstukken „1”, „2” en
„3” in deze volgorde. Let erop dat tussen lijnstuk „1” en het
gevraagde lijnstuk „E” een rechte hoek bestaat.
Na afsluiting van de laatste meting
wordt het resultaat voor het gevraag-
de lijnstuk „E” in de resultaatregel c
weergegeven. De afzonderlijke meet-
waarden staan in de meetwaardere-
gels a.
d) Trapeziummeting (zie afbeelding K)
Druk zo vaak op de functiewisseltoets 3 tot in het display de
indicatie voor de trapeziummeting verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de lijnstukken „1”, „2” en
„3” in deze volgorde. Let erop dat de meting van lijnstuk „3”
exact aan het eindpunt van lijnstuk „1” begint en dat tussen
de lijnstukken „1” en „2” en tussen „1” en „3 een rechte
hoek bestaat.
Na afsluiting van de laatste meting
wordt het resultaat voor het gevraag-
de lijnstuk „E” in de resultaatregel c
weergegeven. De afzonderlijke meet-
waarden staan in de meetwaardere-
gels a.
Vertraagde lengtemeting
De vertraagde lengtemeting helpt bijvoorbeeld bij het meten
op moeilijk bereikbare plaatsen of wanneer bewegingen van
het meetgereedschap tijdens de meting verhinderd moeten
worden.
Druk voor vertraagde lengtemeting zo vaak op de functiewis-
seltoets 3 tot in het display de indicatie voor vertraagde leng-
temeting verschijnt.
In de meetwaarderegel a wordt de tijdspanne vanaf het acti-
veren tot aan de meting weergegeven. De tijdspanne kan door
het indrukken van de plustoets 6 of de mintoets 12 tussen 1
en 60 seconden worden ingesteld.
Druk vervolgens op de meettoets 7
om de laserstraal in te schakelen en
op het doelpunt te richten. Druk op-
nieuw op de meettoets 7 om de me-
ting te activeren. De meting vindt
plaats na de gekozen tijdspanne. De
meetwaarde wordt in de resultaatre-
gel c weergegeven.
Optellen en aftrekken van meetresultaten, minimum- en maxi-
mummeting zijn bij vertraagde lengtemeting niet mogelijk.
Muuroppervlaktemeting (zie afbeelding L)
De muuroppervlaktemeting dient voor het bepalen van de
som van een aantal oppervlakten met een gemeenschappelij-
ke hoogte.
In het afgebeelde voorbeeld moet de totale oppervlakte wor-
den bepaald van een aantal muren met dezelfde hoogte A,
maar van verschillende lengte B.
Druk voor muuroppervlaktemetingen zo vaak op de functie-
wisseltoets 3 tot in het display de indicatie voor muuropper-
vlaktemeting verschijnt.
Meet net als bij een lengtemeting de hoogte A van de ruimte.
De meetwaarde („cst”) wordt in de bovenste meetwaardere-
gel a weergegeven. De laser blijft ingeschakeld.
Meet vervolgens de lengte B
1
van de
eerste muur. De oppervlakte wordt
automatisch berekend en in de resul-
taatregel c weergegeven. De lengte-
meetwaarde staat in de middelste
meetwaarderegel a. De laser blijft in-
geschakeld.
Meet vervolgens de lengte B
2
van de
tweede muur. De in de middelste
meetwaarderegel a weergegeven af-
zonderlijke meetwaarde wordt bij de
lengte B
1
opgeteld. Het totaal van de
beide lengten („sum”, weergegeven
in de onderste meetwaarderegel a)
wordt met de opgeslagen hoogte A
vermenigvuldigd. De totale oppervlaktewaarde wordt in de
resultaatregel c weergegeven.
U kunt een willekeurig aantal lengten B
X
meten. Deze worden
opgeteld en met de hoogte A vermenigvuldigd.
Voorwaarde voor een correcte oppervlakteberekening is dat
de eerste gemeten lengte (in het voorbeeld de hoogte van de
ruimte A) voor alle deeloppervlakten identiek is.
1
32
1
3
2
1
3
2
OBJ_BUCH-947-007.book Page 69 Friday, July 8, 2016 10:44 AM
70 | Nederlands
1 609 92A 1YW | (8.7.16) Bosch Power Tools
Voor een nieuwe muuroppervlaktemeting met nieuwe ruimte-
hoogte A drukt u driemaal op de toets 16.
Afsteekfunctie (zie afbeelding M)
De afsteekfunctie dient voor het uitzetten van een vast lijn-
stuk (afsteekwaarde) dat gemeten of ingevoerd kan worden.
Deze functie is bijvoorbeeld nuttig bij het markeren van af-
standen voor tussenmuren in de droge bouw.
Druk voor de afsteekfunctie zo vaak op de functiewisseltoets
3 tot in het display de indicatie voor de afsteekfunctie ver-
schijnt.
De afsteekwaarde kan als volgt worden ingesteld:
Als u een bekende waarde wilt invoeren, drukt u zo lang op
de plustoets 6 of de mintoets 12 tot de gewenste waarde
in de bovenste meetwaarderegel a wordt weergegeven.
Als u de plustoets 6 of de mintoets 12 lang indrukt, lopen
de waarden continu verder. De laser wordt nog niet inge-
schakeld.
Als u de afsteekwaarde wilt meten, drukt u de meettoets 7
eenmaal kort in om te richten en nogmaals kort om te me-
ten. Daarna blijft de laserstraal ingeschakeld.
De gemeten of ingevoerde afsteekwaarde kan door het in-
drukken van de plustoets 6 of de mintoets 12 gecorrigeerd
worden.
Druk na het vastleggen van de afsteekwaarde de meettoets 7
lang in om met het meten te beginnen.
Beweeg vervolgens het meetgereedschap voor het afsteken
in de gewenste richting. In de resultaatregel c wordt voortdu-
rend de actuele meetwaarde van het totale meettraject weer-
gegeven. In de bovenste meetwaarderegel a staat nog steeds
de gekozen afsteekwaarde.
In de middelste en onderste meetwaarderegel a staan de fac-
tor („x”), hoeveel keer de afsteekwaarde in het totale meet-
traject aanwezig is, en het verschil („dif”) tussen een veel-
voud van de afsteekwaarde als geheel getal en het totale
traject.
Als het totale meettraject iets geringer is dan een veelvoud als
geheel getal, wordt een negatieve verschilwaarde en het vol-
gende hogere veelvoud van de afsteekwaarde weergegeven.
Beweeg het meetgereedschap zo lang tot in de middelste
meetwaarderegel a het gewenste veelvoud van de afsteek-
waarde staat en de verschilwaarde in de onderste meetwaar-
deregel a „0,0 m” bedraagt. Breng vervolgens het referentie-
punt van de meting over.
Voorbeelden:
a) Positieve verschilwaarde:
7,4 m = (12 x 0,6m) + 0,2 m
In een totaal traject van 7,4 m is de af-
steekwaarde van 0,6 m 12 keer aan-
wezig. Bovendien bevat het totale tra-
ject nog een rest van 0,2 m. Verkort
de afstand tussen meetgereedschap
en uitgangspunt met de verschilwaar-
de 0,2 m en breng vervolgens de
lengte over.
b) Negatieve verschilwaarde:
7,0 m = (12 x 0,6 m) 0,2 m
In een totaal traject van 7,0 m ontbre-
ken 0,2 m om de afsteekwaarde van
0,6 m 12 keer aanwezig te laten zijn.
Vergroot de afstand tussen meetge-
reedschap en uitgangspunt met
0,2 m en breng vervolgens de lengte
over.
Door het kort indrukken van de meettoets 7 onderbreekt u de
afsteekfunctie. Als u lang op de meettoets 7
drukt, start de af-
steekfunctie opnieuw (met dezelfde afsteekwaarde).
De afsteekfunctie wordt na 5 minuten automatisch uitgescha-
keld. Als u de functie eerder wilt beëindigen, drukt u een van
de toetsen voor meetfuncties is.
Lijst van de laatste meetwaarden
Het meetgereedschap slaat de laatste 30 meetwaarden en de
bijbehorende berekeningen op en toont deze in omgekeerde
volgorde (de laatste meetwaarde eerst).
Druk voor het opvragen van de opge-
slagen metingen op de toets 15. In
het display verschijnt het resultaat
van de laatste meting, naast de indi-
cator voor de meetwaardenlijst d en
een teller voor de nummering van de
weergegeven metingen.
Als bij het opnieuw indrukken van de toets 15 geen andere
metingen zijn opgeslagen, keert het meetgereedschap terug
naar de laatste meetfunctie. Als u de meetwaardenlijst wilt
verlaten, drukt u een van de toetsen voor meetfuncties in.
Als u de momenteel weergegeven vermelding uit de meet-
waardenlijst wilt verwijderen, drukt u kort op de toets 16. Als
u de hele meetwaardenlijst wilt verwijderen, houdt u de toets
meetwaardenlijst 15 ingedrukt en drukt u tegelijkertijd kort
op de toets 16.
Meetwaarden verwijderen
Door het kort indrukken van de toets 16 kunt u in alle meet-
functies de laatst gemeten afzonderlijke meetwaarde verwij-
deren. Door het meermaals kort indrukken van de toets wor-
den de afzonderlijke meetwaarden in omgekeerde volgorde
verwijderd.
In de functie muuroppervlaktemeting wordt de laatste meet-
waarde verwijderd als u de toets 16 de eerste keer kort in-
drukt, bij de tweede keer indrukken alle lengten B
X
en bij de
derde keer indrukken de ruimtehoogte A.
Meetwaarden optellen
Als u meetwaarden wilt optellen, voert u eerst een willekeuri-
ge meting uit of kiest u een vermelding uit de meetwaarden-
lijst. Druk vervolgens op de plustoets 6. In het display ver-
schijnt ter bevestiging „+”. Voer vervolgens een tweede
meting uit of kies nog een vermelding uit de meetwaardenlijst.
Druk voor het opvragen van de som
van beide metingen op de resultaat-
toets 5. De berekening wordt in de
meetwaarderegels a weergegeven.
De som staat in de resultaatregel c.
Na berekening van de som kunnen bij
dit resultaat overige meetwaarden of
OBJ_BUCH-947-007.book Page 70 Friday, July 8, 2016 10:44 AM
Nederlands | 71
Bosch Power Tools 1 609 92A 1YW | (8.7.16)
vermeldingen uit de meetwaardenlijst worden opgeteld als
vóór de meting telkens de plustoets 6 wordt ingedrukt. De op-
telling wordt beëindigd door het indrukken van de resultaat-
toets 5.
Opmerkingen over de optelling:
Lengte-, oppervlakte- en inhoudswaarden kunnen niet bij
elkaar worden opgeteld. Als bijvoorbeeld een lengte- en
een oppervlaktewaarde worden opgeteld, verschijnt bij
het indrukken van de resultaattoets 5 kort „ERROR” in het
display. Vervolgens keert het meetgereedschap terug naar
de meetfunctie die het laatst actief was.
Er wordt telkens het resultaat van een meting (bijvoor-
beeld inhoudswaarde) opgeteld, bij duurmetingen de in de
resultaatregel c weergegeven meetwaarde. De optelling
van afzonderlijke meetwaarden uit de meetwaarderegels a
is niet mogelijk.
Bij vertraagde lengtemeting en in de afsteekfunctie zijn
geen optellingen mogelijk. Reeds begonnen optellingen
worden bij overgang naar deze functies onderbroken.
Meetwaarden aftrekken
Als u meetwaarden wilt aftrekken,
drukt u op de mintoets 12. In het dis-
play verschijnt ter bevestiging „–.
Ga verder te werk als bij „Meetwaar-
den optellen”.
Tips voor de werkzaamheden
Algemene aanwijzingen
De ontvangstlens 26 en de uitgang van de laserstraal 27 mo-
gen bij een meting niet afgedekt zijn.
Het meetgereedschap mag tijdens een meting niet bewogen
worden (met uitzondering van de functies duurmeting, mini-
mum- en maximummeting en afsteekfunctie). Leg daarom het
meetgereedschap indien mogelijk tegen een vast aanslag- of
steunoppervlak.
Invloeden op het meetbereik
Het meetbereik is afhankelijk van de belichting en de mate
van weerspiegeling van het meetoppervlak. Gebruik voor een
betere zichtbaarheid van de laserstraal bij werkzaamheden
buitenshuis en bij fel zonlicht de laserbril 31 (toebehoren) en
het laserdoelpaneel 32 (toebehoren), of zorg voor schaduw
op het doelpaneel.
Invloeden op het meetresultaat
Vanwege bepaalde eigenschappen van materialen kunnen bij
metingen op sommige oppervlakken foutmetingen niet wor-
den uitgesloten. Daartoe behoren:
transparante oppervlakken zoals glas en water,
spiegelende oppervlakken zoals gepolijst metaal en glas,
poreuze oppervlakken zoals isolatiemateriaal,
oppervlakken met een structuur, zoals pleisterwerk en na-
tuursteen.
Gebruik indien nodig op deze oppervlakken het laserdoelpa-
neel 32 (toebehoren).
Foute metingen zijn bovendien mogelijk op doeloppervlakken
waarop schuin wordt gericht.
Ook kunnen luchtlagen met verschillende temperaturen of in-
direct ontvangen weerspiegelingen de meetwaarde beïnvloe-
den.
Meten met aanslagstift (zie afbeeldingen B, C, F en G)
Het gebruik van de aanslagstift 18 is bijvoorbeeld geschikt
voor metingen vanuit hoeken (ruimtediagonalen) of moeilijk
bereikbare plaatsen zoals rails van rolluiken.
Druk op de vergrendeling 1 van de aanslagstift om de stift uit
of in te klappen of de positie ervan te veranderen.
Voor metingen vanaf buitenhoeken klapt u de aanslagstift op-
zij. Voor metingen vanaf de achterkant van de aanslagstift
klapt u de stift naar achteren.
Stel het referentieniveau voor metingen met aanslagstift door
het indrukken van de toets 8 overeenkomstig in (voor metin-
gen met zijwaartse aanslagstift op meten vanaf achterkant
van meetgereedschap).
Richten met de libel
Met de libel 14 kunt u het meetgereedschap eenvoudig water-
pas uitrichten. Daarmee kunt gemakkelijker richten op het
doeloppervlak, vooral op grotere afstanden.
De libel 14 is in combinatie met de laserstraal niet geschikt
voor waterpaswerkzaamheden.
Richten met de richtlens (GLM 250 VF) (zie afbeelding N)
De zichtlijn door de richtlens en de laserstraal verlopen paral-
lel aan elkaar. Daardoor wordt nauwkeurig richten over lange
afstanden mogelijk gemaakt als de laserpunt met het blote
oog niet meer zichtbaar is.
Kijk voor het richten door de zoeker 10 van de richtlens. Let
erop dat het venster 25 van de richtlens vrij en schoon is.
Opmerking: Op korte afstand overlappen het feitelijke en het
weergegeven doelpunt elkaar niet.
Richten met uitlijnhulp (zie afbeelding O)
Met de richtindicatie 24 kan het richten over grote afstanden
worden vergemakkelijkt. Kijk daarvoor langs de richtindicatie
aan de zijkant van het meetgereedschap. De laserstraal ver-
loopt parallel aan deze zichtlijn.
Werkzaamheden met het statief (toebehoren)
Het gebruik van een statief is vooral bij grotere afstanden
noodzakelijk. Zet het meetgereedschap met de 1/4"-schroef-
draad 21 op de snelwisselplaat van het statief 30 of een in de
handel verkrijgbaar fotostatief. Schroef het met de vastzet-
schroef van de snelwisselplaat vast.
Stel het referentievlak voor metingen met de aanslagstift door
het indrukken van de toets 8 overeenkomstig in (referentie-
vlak schroefdraad).
Oorzaken en oplossingen van fouten
Oorzaak Oplossing
Temperatuurwaarschuwing (i) knippert, meting niet
mogelijk
Meetgereedschap buiten
bedrijfstemperatuur van – 10 °C
tot +50 °C (in functie duurmeting
tot +40 °C).
Wacht tot het
meetgereedschap
bedrijfstemperatuur
bereikt
OBJ_BUCH-947-007.book Page 71 Friday, July 8, 2016 10:44 AM